Het onbehagen als nieuwe sociale kwestie. Ik Twitterde het al twee weken terug: het is een prima onderwerp. Maar meer dan dat: het is urgent om er aandacht aan te besteden. Want dat is een sociale kwestie: een brandend vraagstuk in het leven van nu waar het mens-zijn in het geding is. Onbehagen is dat. Omdat het ergens vandaan komt. Omdat het grote effecten heeft: cynisme, vervreemding, polarisatie en verkettering. Omdat het mensen afzonderlijk isoleert. Omdat het de samenleving als geheel erodeert. Dat mag niet gebeuren. Dat is, om het in bijbelse termen te zeggen, zonde – zo is het niet bedoeld.
Onbehagen is sluipend. Je voelt je niet gemakkelijk in de situatie waarin je zit. Je bent ontevreden, misschien niet over je eigen leven, wel over de wereld om je heen. Jan Hoogland heeft een heel mooie analyse gegeven van de onbehagen-mix: het totaal van alle soorten ongenoegen die mensen hebben, door de graai- en bonuscultuur, door de publieke dienstverlening, door de toegenomen bestaansonzekerheid, door gebrek aan macht en invloed, door gebrek aan waardering, door het ontbreken van een zingevend verhaal, door multiculturalisme. Heel verschillende oorzaken, samengeveegd in één overkoepelend gevoel: onbehagen.
Wij zijn mensen die geworteld zijn in de christelijk-sociale traditie. Het gaat ons ter harte, vanuit ons geloof, vanuit ons waarden, vanuit onze idealen. Wij hebben in de loop der tijd steeds weer gezocht naar wegen om rechtvaardigheid te bewerkstelligen, solidariteit te creëren, zuinig te zijn op wat ons in beheer is gegeven, er vanuit ieders verantwoordelijkheid er aan te werken dat elk mens telt en moet kunnen tellen. Ruud Lubbers citeerde aan het slot van het Christelijk Sociaal Congres 1991 Schaepman: 'credo dum pugno'- ik geloof en daarom knok ik. Ik vind de sociale kwestie van het onbehagen het knokken waard.
Onbehagen is een mindset. Je gedachten worden negatief gericht. Een samenleving waarin het cynisme heerst is maakt mensen klein. Waar de vervreemding toeneemt, verdwijnt de herbergzaamheid. Verschil van meningen kan positief zijn, kan mensen aan elkaar doen groeien, maar waar het polarisatie wordt, drijft het mensen uit elkaar. En als er veroordeling op volgt, is respect weg en dus de basis voor verbinding. Dat willen we niet. En dus het zaak de oorzaken van onbehagen op te sporen, serieus te nemen, aan te pakken.
Ik prees al de analyse van Hoogland. Zijn diagnose van de onbehagen-mix geeft tegelijk aan hoe moeilijk het is om het onbehagen te lijf te gaan. Het is zo veelomvattend en de oorzaken zijn zo divers. Het geeft een agenda om u tegen te zeggen, een agenda voor ons, maar ook van ons – dit alles gaat niet alleen over anderen, het gaat ook over ons. Ook wij zijn onbehaaglijk, al is het alleen maar over de ontwikkeling van het onbehagen. Wij zijn partij, laat dat helder zijn. Hoogland geeft het profiel van de ideale burger tegenover de elite. Hoe positief ik ook ben over Hooglands analyse, hier kan ik niet met hem mee. De sociale kwestie van het onbehagen raakt alle burgers – traditionele en elite, kosmopolitieten, jobhoppers, spirituelen, traditionelen, boven-, midden- en onderklasse. Dit is een probleem van de samenleving. En het begin van de oplossing ligt dan ook in het hart daarvan, in de samenleving zelf.
Hoogland kiest oplossingen van herwaardering. Van de dienstverlening, van opleidingen en talent, van trouw zijn aan relaties en werkverband, van betrokkenheid bij de buurt, eenvoudige consumptiepatronen, van betrokken leiderschap en bestuur, van een ander werkethos en gastvrijheid. Dat is prachtig, maar je kunt het mensen niet voorschrijven. Herwaardering geeft een indruk van terugwillen naar iets. In de samenleving van vandaag , met alle internationalisering, digitalisering, flexibilisering is er geen terug. Het gaat juist om dat wat wij belangrijk vinden, rechtvaardigheid, solidariteit, goed beheer en verantwoordelijkheid, opnieuw vorm te geven als we deze nieuwe sociale kwestie oppakken, het onbehagen te lijf.
Ik pak er de drie vragen bij die Herman Kaiser heeft geformuleerd in zijn uitnodigingsbrief:
1. Hoe worden wij als christelijk-sociale beweging herkend en erkend als een relevante factor in samenleving en politiek?
2. Hoe maken wij een brug naar de nieuwe generatie?
3. Hoe gaan wij duidelijker onze boodschap overbrengen in een cultuur van one-liners en snelle beelden?
Wat betreft de eerste vraag is het heel simpel: we moeten de zorgen en problemen van mensen zo goed mogelijk vertolken en er oplossingen voor aandragen die hout snijden. Een brug naar de nieuwe generatie maken we door alle nieuwe communicatiemiddelen in te zetten die er zijn en niet bang te zijn om organisatievormen ter discussie te stellen. Want het gaat om de inhoud, en inderdaad, die past in one-liners, snelle beelden en 140 Twitter-tekens. Het gaat pas fout als er achter die berichten geen inhoud meer zit.
Wat is een goed antwoord op onbehagen? In ieder geval niet de ander iets opleggen. Wel er zelf zijn. Presentie is heel belangrijk. Er is een groot verlangen naar herbergzaamheid, naar betrokkenheid. Mensen willen gehoord worden, niet gezien worden als nummer of geval. Mensen willen dat er zorgvuldig wordt omgegaan met publieke middelen, hun geld en goed. Mensen willen bij alle onzekerheid het vertrouwen dat hun toekomst geregeld is, dat ze middelen van bestaan hebben, ook als ze kwetsbaar zijn, ziek of oud. Mensen willen inderdaad waardering en inspiratie. En ze willen bij alle aandacht voor de verschillende culturen erkenning van hun identiteit en het gevoel thuis te zijn op de plek waar ze wonen.
Dat vergt persoonlijke benadering. Dat vergt dat we ieder initiatief voor dialoog aangrijpen. Het vergt dat we verbinden, op alle mogelijke manieren. Dat is een persoonlijke opgave, maar ook één voor organisaties en de nieuwe netwerken van vandaag. Wij als christelijk sociaal congres hebben sociaal kapitaal in huis. Dat moeten we inzetten, om aandacht te vragen voor het belang van religie als dat ondergeschoffeld dreigt te raken, voor de noodzaak voor mensen om gekend te zijn, om uit te stijgen boven de financieel-economische kaders als enige randvoorwaarden van beleid.
In de samenleving waar het onbehagen woont, moeten wij verbinden, moeten wij durven dromen, moeten we verhalen vertellen en het grote verhaal dat ons gaande houdt belichamen.
Elk op onze eigen manier. In de politiek. Op de scholen. In de vakbeweging nieuwe stijl. Omdat we ook vandaag niet neer willen leggen bij de sociale kwestie van nu. Credo dum pugno – ik geloof dus ik knok.
2011 © Ruth Peetoom
Webdesign: Manschot Grafimedia | Fotografie: Bas de Meijer Dirk Hol
sitemap | disclaimer